Koninklijke Gilde Bosseniers Izegem

Geschiedenis:

De Koninklijke gilde de Bosseniers van St. Barbara Izegem vindt haar ontstaan op 23 mei 1615. Op deze dag ontving onze gilde de ordonnantie van zijn excellentie de Graaf van Izegem VILAIN XIIII.

De ordonnantie zorgt er onder meer voor dat de gilde belangrijke voorrechten verkrijgt van de landheer en de gemeentelijke overheid. Deze ordonnantie laat doorschijnen dat de gilde eigenlijk ouder is want het gaat hier om een herinrichting. De reden voor die herinrichting, het verliezen van de originele ordonnantie, wordt in de vergunbrief omschreven als "Voorgaende Troubelen". Dit zou zonder twijfel kunnen duiden op de 80-jarige oorlog die onze streek trof in de 16de eeuw.

In het begin van de 17de eeuw werden vooral stappen ondernomen om een octrooi te bekomen tot de oprichting van nieuwe en vooral tot de heroprichting van de tijdelijk teniet gegane gilden. De herinrichting van de St.-Barbaragilde is trouwens geen alleenstaand feit, ook andere gilden krijgen tijdens het Twaalfjarig bestand (1609 - 1621) hun rechten van bestaan terug.

De oudste aanwijzing van het bestaan van de gilde is de aanwezigheid van een altaar die aan haar gewijd was in de St.-Tillokerk in 1539. Elke kerk bezat een patroonheilige en een altaar in de kerk waaraan eertijds gewoonlijk een kapelanie verbonden was. In de disrekening uit dit jaar is er een vermelding dat de bedienaar van de kapelanie in de kerk van Izegem "Maarten Van Wildemersch" 10 pond parissis ontving voor een wekelijks gehouden "Singhende messe ten autaere van Ste baerbelle, te doene alle woensdaeghe".

Iedere gilde had een religieuze functie waar de Rooms -Katholieke kerk primeerde. De levensbeschouwing van iedere gildebroeder stond dan ook in het teken van een bijzondere verering voor de schutspatrones St.-Barbara. Het inrichten en het onderhouden van een altaar in de Sint-Tillokerk was dan ook een geschikte omlijsting voor het beleven van hun religie.
De oprichting van de schuttergilde is om allerlei factoren te situeren rond 1520, enkele van die reden zijn: de ontluiking van de landbouwkunde, de toenemende bevolking, de economisch zeer gunstige toestand, het goede klimaat,.